Brieven aan de commissaris

Groningen

Jaar2018

TypeBrief

OpdrachtgeverDE DEUR IN HUIS

Op 5 september 2018 kwam een compacte groep ontwerpers bijeen in de Kanselarij van Leeuwarden, het voormalig Fries Museum waar in het voorjaar de tentoonstelling ‘Places of Hope’ opende: een perspectief op het Nederland van morgen. De ontwerpers kwamen samen op verzoek van de commissaris van de Koning, die hen in het kader van Places of Hope had uitgenodigd brieven te schrijven op basis van de een aantal zorgwekkende vragen. Hoe zouden wij ontwerpers het noorden kenschetsen, zo wilde de commissaris weten, wat moest er gebeuren om het karakter en de wervende kracht van Noord-Nederland een impuls te geven, welke interventies achtten wij als ontwerpers nodig om het noorden nog beter als bestemming op de kaart te zetten? En natuurlijk: welke opgaven komen op het noorden af en is er bij die opgaven een rol weggelegd voor het ontwerp? Om de intellectuele en vakmatige armoede te lijf te gaan, bleek een kritische brief noodzakelijk.


Download: de brief aan de commissaris van de Koning
 

Geachte
heer Paas,

 
Hartelijk dank voor uw uitnodiging om een korte en krachtige brief aan uw adres te schrijven. Uw e-mail past uitstekend in het huidige op participatie en samenwerking gerichte politieke klimaat en is als zodanig tekenend voor de impasse die als gevolg hiervan in de wereld van ruimtelijke ordening en stadsontwikkeling is ontstaan. Eerlijk gezegd verbazen dergelijke uitnodigingen ons daarom al lang niet meer. Niemand lijkt meer echt te (willen) weten wat we moeten doen. Wat moet er gebeuren? Wie moeten we vragen? Welke mode moeten we volgen? Het is alsof we de aandacht voor ons vakgebied zijn kwijt geraakt. Maar dat we ‘iets moeten’ met een ‘klimaat-adaptieve omgeving’, ‘hernieuwbare energie’, ‘sociale samenhang’ en een ‘rechtvaardige economie’? Tsja, dat staat natuurlijk buiten kijf.

Misschien verbazen we ons toch een beetje over uw verzoek. Er wordt gesproken van het ‘zelfbewuste noorden’, als onderdeel van Places of Hope. Ons is echter niet duidelijk of dit een kenschets is of een streven. Mocht het een streven zijn, dan is het eigenlijk gek dat u initiatieven en voorbeelden van elders aangrijpt om dit te bereiken, zoals u met uw ietwat overdreven knipoog naar New York doet. Dat getuigt niet van veel zelfbewustzijn, laat staan van kennis van het noorden. Mocht het een kenschets zijn, dan is het evenwel ook wat wonderlijk, want dan zou de gestuurde e-mail in feite overbodig moeten zijn. Tot voor kort was een dergelijke e-mail ook overbodig geweest, want Groningen heeft zich in de naoorlogse stadsontwikkeling altijd overtuigend internationaal geafficheerd.

De context van het noorden zelf zou toch gewoon inspiratiebron moeten zijn voor de wijze waarop we bevlogen en met liefde voor stad en land aan ruimtelijke opgaven kunnen werken? Groningen heeft altijd een eigengereide koers gevaren als het om stedelijke en regionale ontwikkeling gaat. We mogen dan nuchtere noordelingen zijn, voor architectuur, stedenbouw en ruimtelijke ontwikkelingen heeft Groningen zich overtuigend als laboratorium gepresenteerd, zo werd ons vorig jaar nog in herinnering gebracht op de Architectuurklimaat-top in de stad.¹ Al in de eerste helft van de twintigste eeuw liet Groningen haar eigenzinnige karakter zien, door lang vast te houden aan het Plan Berlage-Schut, met gesloten bouwblokken en een verleidelijk stadsbeeld, terwijl elders in Nederland de functionalistische stedenbouw met strook-bebouwing in opkomst was. Na de oorlog baarde Groningen opzien door in een vroeg stadium de voortrazende cityvorming een halt toe te roepen, nog voordat deze goed en wel begonnen was. Onder invloed van vooruitstrevende politici werden nieuwe principes voor wonen, werken en recreëren in en om de binnenstad onderzocht, ideeën die uiteindelijk hun weerslag vonden in de Doelstellingennota en het daarop volgende Verkeerscirculatieplan. Door deze kloeke nota’s kreeg Groningen als een van de eerste steden in Nederland een autoluwe binnenstad en werd de basis gelegd voor latere herinrichtingsplannen van het centrum, waarbij de kwaliteit van de openbare ruimte en de dynamiek van het stadsleven weer centraal kwamen te staan.

(¹ P.M. Schaap, ‘Waarom makkelijk als het moeilijk kan?’ in: René Asschert, Erik Dorsman ea, Bouwjong! Woningbouw voor jongeren, GRAS Uitgevers, Groningen 2012. Op de Architectuurklimaat-top van 2017 hield Schaap een vurig pleidooi voor deze eigengereide koers. Zie ook E.J. Dorsman, ‘De Nordic City’, in: Atelier Stadsbouwmeester, Denkbeelden voor een slimme energiestad – Groningen > Nordic City, gemeente Groningen, 2016)

Ooit zette het noorden kortom het ene na het andere relevante ruimtelijke thema op de agenda en vroeg het aan architecten, stedenbouwkundigen en landschapsontwerpers om hieraan op experimentele maar vooral onderzoekende wijze invulling te geven. Dit deden we niet om ons zelf in de kijker te spelen, het was slechts het gevolg van een eindeloze ambitie om te willen bijdragen aan het welzijn en de ontwikkeling van de regio. We creëerden verleidelijke vergezichten en verbeeldden wat we belangrijk vonden. Nu wordt ons gevraagd naar de rol van het ontwerp, naar de plek van de architect in de samenleving (alsof we die zijn kwijtgeraakt), naar de voornaamste ruimtelijke opgaven en naar de wijze en het niveau waarop het bestuur die opgaven moet aanpakken. Het doet ons denken: wie verkeert er nu eigenlijk in een identiteitscrisis?

Nederland heeft de afgelopen decennia hard gewerkt aan het systematisch afbreken van onze ontwerp-infrastructuur. Begrijpelijkerwijs zijn we daardoor de weg kwijtgeraakt, maar het begint er niet mee te vragen wat we moeten doen of hoe we het noorden weer op de kaart moeten zetten. Het noorden staat op de kaart, we kunnen beter voorkomen dat het er binnenkort afvalt. Het begint er mee verantwoordelijkheden juist in te schatten en onze ontwerp-kennis en -expertise weer op een zorgvuldige manier aan te spreken. Een begin zou zijn om de bureaus en deskundigen die u in uw verzoek aanschrijft, gewoon weer het werk te laten doen waarvoor ze zijn opgeleid. Hoe gek (en eigenlijk treurig) het ook klinkt, dat zou op dit moment al echt een hele zelfbewuste en weloverwogen aanpak zijn.

Daarom, nu geheel vrijblijvende tips:

  1. Ga voorbij aan bouw-economische, imago-opbouwende en identiteit-benoemende overwegingen en beoordeel architectonische, stedenbouwkundige en ruimtelijke opgaven op hun eigen merites.
  2. Neem de ontwerpende disciplines weer serieus: daag ontwerpers en deskundigen uit, niet door ze vragen te stellen, maar door ze gewoon het werk te laten doen waarvoor ze zijn opgeleid. Hoe kan het dat we in Nederland mensen zonder opleiding hiervoor net zo serieus nemen, zo niet serieuzer?
  3. Voer niet alleen een gesprek, maar ga structureel met de architectuur-, stedenbouw en landschapsontwerp-vakwereld in debat; niet alleen als het uitkomt, maar juist als het om complexe ruimtelijke en stedelijke opgaven gaat.
  4. Kijk zorgvuldig naar het noorden en grijp ruimtelijke opgaven aan om kenmerkende kwaliteiten te versterken. Laten we ons weer richten op de onafhankelijke ruimtelijke structuur en opbouw van het noorden: een sterk verstedelijkte, economische en culturele centrumregio, daaromheen een groot landelijk gebied met middelgrote steden, een rijkdom aan landschapstypen, natuurschoon, recreatiezones en bijzondere woonmilieus, gelardeerd met historische dorpen, cultureel en landschappelijk erfgoed; een ruimtelijk model dat kortom niet bij provincie- of landsgrenzen stopt.

Hoewel we tegenwoordig vaak het tegendeel denken, hoeven we daarbij heus geen omvattende of eensluidende eigenschappen of karaktertrekken voor steden, regio’s en provincies te verwoorden, als een soort deterministisch instrumentarium. Omdat u in het ‘zelfbewuste noorden’ werkt, doet u het zo en zo. Als u aan het zelfbewuste noorden wilt bijdragen, moet u zus en zo doen. Werken met etiketten om onze identiteit te bepalen is in het verleden niet een heel gezonde situatie gebleken. Als we goed om ons heen kijken, zien we bovendien dat we een dergelijke typering of karakterschets niet nodig hebben. Sterker nog, deze vernauwen doorgaans onze blik en maken het doen van bijdragen aan de kwaliteit en kenmerken van een regio onmogelijk.

Vakkennis leidt tot nuancering, oftewel tot gelatenheid, voorbehoud en twijfel.² Dat is in een tijd waarin we hapklare oplossingen aan burgers moeten voorschotelen misschien moeilijk te verkroppen. Zelfs binnen de vakgroep wordt het uiten van kritische geluiden inmiddels als gemopper gezien. Maar als we echt begaan zijn met onze omgeving, creëeren we weer een praktijk waarin we met een onbegrensde blik naar die nuancering op zoek kunnen gaan.

(² Arnon Grunberg citeert classica Rosa van Gool in de Volkskrant, die op haar beurt historica Alie de Vries citeert: ‘kennis leidt tot nuancering’. Hij voegt daaraan toe: ‘oftewel tot gelatenheid, voorbehoud en twijfel’. Zie: ‘Voetnoot Geschiedenis’, de Volkskrant, 13 september 2017)

Met vriendelijke groet,
Namens De Deur in Huis,

Emiel Noordhuis
Erik Dorsman