Paviljoen Duisenberg-gebouw

Groningen

Jaar2010

TypeBibliotheek (800 m²), kantoorruimte (1.100 m²) en collegezaal (200 m², 150 personen)

OpdrachtgeverRijksuniversiteit Groningen
(Project: De Unie Architecten met Nicole Lagarde, Interne Zaken)

Voor de faculteit Economie, Bedrijfskunde en Ruimtelijke Wetenschappen is op het Zerniketerrein van de Rijksuniversiteit Groningen een uitbreiding van het Duisenberg-gebouw gerealiseerd. De uitbreiding is opgezet als een zelfstandig paviljoen en bevat naast de bibliotheek kantoorruimte en een collegezaal. Kern van het ontwerp vormen de eenvoud en inventiviteit ervan: de opgave is zowel in organisatie als uitstraling verrassend vanzelfsprekend vormgegeven.

Harde ruimtelijke zowel als functionele voorwaarden bepaalden de context van het paviljoen. De nieuwbouw is onderdeel van het masterplan van West 8, dat voorzag in vrijstaande, uitbundige paviljoengebouwen aan het water. Daarnaast moest het paviljoen aansluiten op de reeds in gang gezette vernieuwing van het Duisenberg-gebouw, op de plek van de kort daarvoor vernieuwde bibliotheek, zonder echter het zicht op de splinternieuwe gevel en hoofdingang te belemmeren. Een krap budget zette de voorwaarden verder op scherp, net als de uitzonderlijk korte tijd van vier maanden voor het ontwerpen en bouwklaar maken van de opgave.

Vanwege het ambitieuze tijdspad werd een integraal ontwerptraject met constructeur, installateur, bouwfysicus en aannemer opgezet. Was het uitgebreide programma met een beperkt budget in korte tijd om te vormen tot een ‘uitbundig’ vormgegeven paviljoen? Een elegant vormprincipe vormde de eerste ontwerp-overweging: door een slimme stapeling van het programma rond een vide ontstond een helder en compact bouwvolume in de vorm van een pentagoon. Vide en vorm brachten voldoende licht en maakten de ruimtelijke opbouw van het paviljoen overzichtelijk; zichtlijnen op en uit de omgeving zijn gerespecteerd, de inmiddels voorziene aangrenzende voetgangersbrug is geïntegreerd en de hoofdentree genoeg vrijgehouden, ondanks een stevige verbinding op de tweede verdieping. De pentagoonvorm was tevens middel om een voor het oog bescheiden bouwvolume te creëren met steeds wisselende aanzichten.

Door de slimme vijfhoekige organisatie rond een centrale vide kon het programma in de gewenste stapeling aan het Duisenberg-gebouw gekoppeld worden. De programmatisch ‘logische’ opbouw zorgde evenwel voor een constructieve uitdaging, aangezien de open collegezaal onderin het gebouw werd gesitueerd en de zwaar belaste bibliotheek bovenin. In combinatie met de wens om snel te bouwen resulteerde dit in de toepassing van een stalen constructie met betonvloeren, voorzien van rode en gele sandwichpanelen. Juist het technische uiterlijk van het bouwsysteem is uiteindelijk optimaal ingezet om het paviljoen een gepaste uitstraling te geven.

De eenvoud van de technische gevel heeft diepte gekregen door het aanbrengen van een tweede huid, bestaande uit witte, gele of rode aluminium cassettes, kokers of platen strekmetaal met verschillende perforaties. Over de gehele gevel van het paviljoen ontstaat zo een moiré-effect, met voor elk van de functies in het gebouw een ander patroon. Hoewel de moiré-gevel een verzachtende werking heeft, is er altijd zicht op de technische uitstraling van de ‘echte’ gevel en wordt deze in het gelaagde visuele spel betrokken. Dit evenwicht tussen optische dynamiek en een bescheiden technische uitstraling is eveneens doorgezet in het interieur, tot in de kleinste details van de centrale vide. Maar ook in de collegezaal is deze balans benadrukt; net als de stoelen en de vloerbedekking zijn de grote vakwerkliggers knalrood gemaakt en onderdeel van het interieur geworden. Het snel gebouwde en technisch eenvoudige paviljoen heeft zo op praktische wijze een gepaste barokke verschijning gekregen binnen de context van de campus.

Dankzij de integrale en discipline-overstijgende aanpak getuigt het paviljoen van een typische werkhouding: het vermogen om met eenvoudige middelen een aangenaam en gebruiksvriendelijk ontwerp te maken, dat technisch en financieel haalbaar is, maar eveneens een herkenbare karakteristiek heeft. Er wordt in kleine bezetting gewerkt, het bureau stelt zich wendbaar op en kan, afhankelijk van de opgave, in verschillende samenwerkingsverbanden aan uiteenlopende opgaven werken. Door het maken van heldere afspraken en het creëren van gezamenlijk enthousiasme wordt er veel tijd en energie in het bouwproces gewonnen, wat de kwaliteit van de ontwerpen ten goede komt. Dit is een vanzelfsprekende voorwaarde voor de kwaliteit van projecten in het algemeen; door een goed ingericht proces is er voldoende ruimte voor een degelijk vooronderzoek en goede ruimtelijke analyses, die uitmonden in een sterk ontwerpconcept. Hoe eerder de analyse en het concept tot stand komen, hoe gemakkelijker het is om tot een gepaste vormgeving te komen. Opgaven leiden zo, zonder een vooraf beoogde vorm, tot contextspecifieke ontwerpen met een uitgesproken uitstraling.