Manifest Stedenbouw

Groningen

Jaar2017

TypeManifest

OpdrachtgeverAtelier Stadsbouwmeester Groningen

PERSPECTIEF OP STEDENBOUW

 

“Met welke principes werken we aan het stedenbouwkundig ontwerp van Groningen? Wat maakt de stad goed en wat is de rol van stedenbouw hierin? Waaraan dragen we met onze stedenbouwkundige ontwerpen bij, welke ontwikkelingen willen we ondersteunen? Kunnen we met stedenbouw de condities voor het stedelijk leven verbeteren? En wat is de rol van architectuur in stedenbouw, in hoeverre draagt het stedenbouwkundig ontwerp bij aan de openbare ruimte?”

Met deze vragen trokken we in opdracht van de stadsbouwmeester door de gemeentelijke organisatie. We vroegen stedenbouwers, landschapsontwerpers, cultuurhistorici, verkeerskundigen en projectleiders naar hun ideeën over het vak. Op basis van hun overpeinzingen, discussies en gedachtewisselingen stelden we een ‘perspectief op stedenbouw’ op: een set basisprincipes waarmee we in Groningen aan de stad kunnen werken.
 

Download het manifest: Perspectief op stedenbouw

 

DIT IS WAAROM 

 
Dit ‘perspectief op stedenbouw’ begint met een ode aan de stad en het ontwerp. De stad is immers populair en lijkt onafgebroken te groeien: meer dan de helft van de wereldbevolking woont inmiddels in stedelijk gebied, een trend die naar verwachting doorzet tot 60% in 2030 en 70% in 2050. We kunnen de stad kortom zien als één van de meest waardevolle uitvindingen van de mens – mits we onszelf durven losmaken van de tendens om steden met hun bebouwing te vereenzelvigen en ons weer beseffen dat de echte stad is opgebouwd uit vlees en bloed, niet uit beton.
 
 

1. ODE AAN DE STAD ALS PLEK VOOR WELZIJN EN WELVAART

“steden ZORGen VOOR NABIJHEID, DICHTHEID, CONTACT; ZE Belichamen HET BIJ ELKAAR BRENGEN VAN MENSEN, GOEDEREN, KAPITAAL, KENNIS EN INFORMATIE.”

 
 
De stad belichaamt de afwezigheid van fysieke ruimte tussen mensen, bedrijven en instellingen: de rode draad is, dat steden ons in staat stellen om samen te werken, te spelen, te wonen, te ontwikkelen, dat ideeën zich gemakkelijker verspreiden in dichtbevolkte gebieden. Het succes van steden is het gevolg van de vraag naar fysiek contact en met ons vakgebied bedienen we die vraag. De nadruk ligt op de interactie van personen, meer nog dan op stedelijke structuren en gebouwen. Steden vergroten het menselijk vermogen. Ze prikkelen innovatie door middel van face-to-face interactie, trekken talent aan en verscherpen dit, moedigen aan tot ondernemerschap en maken sociale en economische mobiliteit mogelijk. 
 

“WE BENADEREN STEDENBOUW ALS HET NASTREVEN VAN EEN STRATEGISCHE DOELSTELLING: RUIMTE MAKEN VOOR HET STEDELIJK LEVEN.”

 
 
Het gevaar van onze discipline is, dat we doen alsof we weten hoe de stad in elkaar zit, hoe die er uit moet zien en derhalve hoe mensen zich in die stad zouden moeten gedragen. Maar het omgekeerde is eerder reëel: stedenbouw bedient het stedelijk leven, moet welzijn en welvaart mogelijk maken, moet alles kunnen aanbieden, moet iedereen een plek kunnen geven – aangezien menselijke interactie tot de kern van de stedelijke ontwikkeling behoort. 

Het is essentieel om het stadsleven dat we met ons vak de ruimte willen geven, voorop te stellen, zo niet centraal. In de stad is ons welzijn en onze welvaart geconcentreerd; kort gezegd wordt de waarde ervan bepaald door de wijze waarop we er geld kunnen verdienen en uitgeven. We kunnen er kortom niet omheen; elke stedenbouwkundige ontwikkeling moet meer zijn dan een ruimtelijke ontwikkeling alleen. Een stedenbouwkundig ontwerp heeft niet alleen ruimtelijke effecten, maar ook sociaal-maatschappelijke.
 
 

DIT IS HOE 

 
Willen we het stadsleven bevorderen, contact aanmoedigen en welzijn en welvaart mogelijk maken, dan zullen we met onze stedenbouw de condities hiervoor moeten creëren. Dit betekent dat we de stad moeten vieren, dat we op zoek moeten gaan naar een doorlopende lijn in onze plannen en dat we de verscheidenheid van het stadsleven een plek moeten geven. We zullen ontwerpen soepel moeten inpassen, zodat ze plooibaar blijven. Ondanks de uiteenlopende vormen en gelaatstrekken van de stad, moeten we de samenhang van ontwikkelingen blijven waarborgen.
 
 

2. CONDITIES

“ALS WE het KARAKTER van de stad BELANGRIJK VINDEN EN DE STAD ALS ZODANIG VIEREN, DAN ZULLEN WE MET ONS VAK, MET HET ONTWERP van de stad, DE KWALITEIT EN VEELZIJDIGHEID VAN DE STAD MOETEN ONDERSTEUNEN EN DIENEND MOETEN ZIJN AAN HET WEZEN VAN DE STAD.” 

 
 
Met ons vak scheppen we condities voor de stad en de dynamiek die de stad symboliseert. In dit perspectief op stedenbouw formuleren we uitgangspunten voor het ontwerpen en tekenen aan de stad. Het stedenbouwkundig ontwerp zien we daarbij niet als een luxe, als een weerslag van onze welvaart, maar juist als een voorwaarde daarvoor, als een noodzaak om de complexiteit van de stedelijke ontwikkeling in goede, elkaar versterkende, banen te leiden. Het stedenbouw-perspectief biedt kortom een grondslag voor het ontwerp zoals we dat in Groningen op stedelijke schaal willen inzetten. We creëren een gezamenlijk gezichtspunt voor stedenbouwkundige opgaven en geven richting aan de manier waarop het stedenbouwkundig ontwerp aanvliegen. Het stedenbouw-perspectief richt zich op principes, op een basismethode die we daadwerkelijk kunnen hanteren bij het ontwerpwerk van ruimtelijke opgaven in Groningen.
 
 

3. CONTINUÏTEIT

“OM MET ONZE DISCIPLINE DE CONDITIES VOOR HET STADSLEVEN TE CREËREN, MOETEN WE OM TE BEGINNEN ERKENNEN DAT STEDENBOUW EEN VAK VAN LANGE ADEM IS WAARIN DE CONTINUÏTEIT VAN HET STEDELIJK WEEFSEL CENTRAAL STAAT.” 

 
 
Er gaat veel tijd over stedenbouwkundige ontwikkelingen heen, het is kortom onvermijdelijk dat we met ons werk bijdragen aan de continuïteit van die ontwikkeling en daarmee van de stedelijke context zelf. We hebben naast ruimte met tijd te maken. Stedenbouw is altijd onderdeel van een langer voortdurend verhaal. De voortgang van de tijd speelt een essentiële rol in ons vak, we ontwerpen en ontwikkelen op de lange termijn, gaan op zoek naar kennis over de stedelijke ontwikkeling, balanceren tussen traditie en vernieuwing en moeten vasthouden aan onze visie om ontwikkelingen een gewenste richting te geven. 

In de continuïteit van de stedelijke structuur ontwaren we architectuur als de meest zichtbare context. Niet alleen vormt architectuur letterlijk de continuïteit van de stedelijke ruimte, ook de verhouding tussen terughoudende bebouwing en architectonische uitzonderingen in die ruimte draagt bij aan de samenhang van de stad. Er is ruimte voor monumenten, specifieke stedelijke momenten en afgewogen architectonische uitzonderingen, maar slechts in verhouding tot de continuïteit van de heersende stedelijke ruimte zijn deze op waarde te schatten. De continuïteit van de stad ontvouwt zich met minimale, bijna ‘gewone’ onzichtbare stappen.
 
 

4. VEELZIJDIGHEID

“OMDAT WE DE CONTINUÏTEIT VAN DE STEDELIJKE CONTEXT TOT VERTREKPUNT NEMEN, MOETEN ONZE ONTWERPEN DE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE GELAAGDHEID VAN DE STAD OMARMEN.” 

 
 
Het stedelijk leven is divers en veelzijdig, de ruimtelijke morfologie die daarbij hoort rijk en veelvormig. De intensiteit van het stedelijk leven, de dynamiek van de straat en de menging van functies maakt dat we de stad goed vinden. Deze opeenstapeling van programma’s, functies en activiteiten zullen we met ons stedenbouwkundig werk moeten bedienen. We proberen ‘monoculturen’ te voorkomen. Er is behoefte aan verschillende stedelijke ruimtes, verschillend in openbaarheid, levendigheid, uiteenlopend van karakter. 

Op zoek naar de veelzijdigheid van de stad moedigen we op stedenbouwkundig niveau een verscheidenheid aan typen bebouwing, openbare ruimtes en straten aan. Hiermee ondersteunen we de menging van functies, bevorderen we meervoudig en onvoorzien ruimtegebruik. Een stedenbouwkundig plan is altijd pluriform, ontwikkeld zich in gebruik en heeft daarvoor onbestemde ruimte nodig: plekken die niet af zijn, van kleur kunnen verschieten, in waarde kunnen dalen of stijgen, plekken waar we ontwikkelingen kunnen uitproberen en waarvan we kunnen leren. Wanneer we de stad als een levend systeem zien, zullen we automatisch ruimte laten aan stedenbouwkundige typologieën en openbare ruimtes die we niet op voorhand kunnen voorzien.
 
 

5. FRAMEWORK

“DE DYNAMIEK VAN DE STAD GAAT Onze verbeelding TE BOVEN EN DAAROM MOETEN WE HET STEDENBOUWKUNDIG ONTWERP ALS EEN FRAMEWORK ZIEN, ALS DE BASISSTRUCTUUR VAN HET STEDELIJK WEEFSEL.”

 
 
Met het stedenbouwkundig ontwerp zoeken we naar een robuuste, duurzame basisstructuur waarvan de invulling flexibel, misschien wel tijdelijk, maar in elk geval nooit voltooid is. De basisstructuur van de stad is immers veerkrachtig, in staat gebleken om steeds nieuwe ontwikkelingen een plek te geven. Het stedelijk bouwwerk bezit een zekere autonomie en vormt als compositie in feite het meest bestendige monument, dat steeds nieuwe functies huisvest, houdbaar is en de capaciteit bezit om het stedelijk leven telkens weer opnieuw vorm te geven. 

We stimuleren met het framework de dienende rol van de stedenbouw. Het ontwerp van de stedelijke structuur moet kortom tijdloos zijn, aanpasbaar, duurzaam. Stedenbouw moet verbindingen leggen in de tijd, vooruit durven denken, een flexibel raamwerk mogelijk maken waarin nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen kunnen worden opgenomen. We zullen de stedelijke hiërarchie van het framework moeten bewaken, ons bewust moeten zijn van de effecten van onze ingrepen op de stedenbouwkundige orde waarin we werken, van de betekenis van onze invloed op verschillende stedelijke structuren. Wat geven we terug aan de stad, wat voegen we toe? De invloed van ons werk reikt vaak verder dan de locaties waaraan we werken. We werken als stedenbouwers van de grootste structurele orde tot op het kleinste niveau van inrichting, zowel in ruimtelijke als functionele zin. Stedenbouw kijkt vooruit naar nieuwe vormen van ruimtegebruik, zonder dat precies duidelijk is waar de stedelijke ontwikkeling naar toe gaat.
 
 

6. SAMENHANG

“STEDENBOUW BESLAAT meerdere SCHAALNIVEAUS EN DISCIPLINES, DUS WE STREVEN NAAR SAMENHANG TUSSEN ARCHITECTUUR, OPENBARE RUIMTE, INFRASTRUCTUUR EN LANDSCHAP.”

 
 
Het vakoverstijgende karakter van stedenbouw vraagt om een coherente aanpak van opgaven. We onderzoeken steeds kritisch de verhouding van bebouwing en omgeving. Willen we een zinvolle bijdrage aan ons vakgebied leveren, dan zullen we op zoek moeten gaan naar de samenhang tussen pleinen, parken, straten, stoepen, bebouwing en inrichting. De bebouwde en onbebouwde ruimtes zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en beïnvloeden elkaar wederzijds. Dit verband is voor de stedenbouw een vanzelfsprekende voorwaarde, maar we hanteren deze relatie niet als een hermetisch gegeven. We stimuleren het onderlinge verband, maar voorkomen dat architectuur en stedenbouw afhankelijk van elkaar worden. Met stedenbouw zoeken we naar een consistent evenwicht tussen een flexibele basisstructuur, een consistente bouwmassa waaraan we achteloos voorbij kunnen gaan en een diversiteit aan iconische uitzonderingen.

Het streven naar ruimtelijke samenhang ondersteunt de strategische doelstelling van de stedenbouw. We moeten onze stedenbouwkundige ontwerpen voeden met sociale samenhang en betrokkenheid; de stad moet voor iedereen aantrekkelijk zijn, toegankelijk, leefbaar en openbaar. Stedenbouw balanceert op functionele, sociale en maatschappelijke doelen, moet op basis daarvan genuanceerde ruimtelijke afwegingen maken. Daar waar ruimtes in elkaar overgaan definiëren we de mogelijkheden van ons vak; in de overgangen van de openbare naar de publieke en private ruimte, in de schaalsprongen van de grote, structurerende ruimtes, de ruimtes van straat en stoep, naar de kleinste privé-ruimtes van tuin, entree en interieur.

Wanneer we samenhang nastreven proberen we grip te krijgen op het omvattende karakter van ons vakgebied. We trekken een doorsnede over de stad en zien hoe de gevels van onze gebouwen de openbare ruimte vormen, twee kanten op werken en informatie geven over hoe mensen zich gedragen, over de relatie tussen bebouwing en straat en over het leven binnen en buiten. Zolang we deze stedelijke dynamiek voor ogen houden, ons beseffen dat we het leven voor  en achter de gevels met onze plannen verbinden, kunnen we met ons stedenbouwkundig ontwerp bijdragen aan de kwaliteit en kenmerken van de stad.

  

7. STRAATLEVEN

“ONZE PLANNEN ZIJN PAS GESLAAGD, ALS WE DAT AAN DE KWALITEIT VAN HET STRAATLEVEN KUNNEN MERKEN; AAN EEN LEVENDIGE RELATIE TUSSEN BEBOUWING EN OPENBARE RUIMTE.”

 
 
Met stedenbouw geven we vorm aan de openbare ruimte, bedienen we de straat, wordt het stadsleven waaraan we willen bijdragen, zichtbaar. In de openbare ruimte wordt ons werk tastbaar. We bemiddelen tussen openbare, publieke en private ruimtes en creëren hiërarchie in de ruimtelijke opbouw van de stad. Stedenbouw belichaamt een wisselwerking tussen bebouwing, straten en open ruimtes – een wisselwerking die het gebruik van de stad, de intensiteit en gelaagdheid van het leven op straat beïnvloedt. Als stedenbouwers richten we ons op de relatie tussen de bebouwde en onbebouwde ruimte: we vragen ons steeds af hoe deze relatie het functioneren van de stad bevordert.
 
  

EN DIT IS WAT 

 
Als we met onze stedenbouw de continuïteit van de stad willen bevorderen, veelzijdigheid nastreven binnen een samenhangende basisstructuur en het straatleven moeten voeden, dan zullen we het vakgebied fundamenteel, breed en specifiek moeten aanvliegen. We zullen ons vakmanschap serieus moeten nemen, het stedenbouwkundig ontwerp als een methode benaderen, als een manier van werken aan de stad. We gebruiken context-analyse en integraal ontwerpend onderzoek om onze plannen voldoende kwaliteit te geven. Voor goede stedenbouw moeten we nieuwsgierig zijn, samenwerken met de ruimtelijk ontwerpers om ons heen, openstaan voor raakvlakken met en invloeden van aangrenzende disciplines, als ook structureel goed om ons heen kijken.
 
 

8. VAKMANSCHAP

“ALS STEDENBOUWERS HEBBEN WE EEN GROTE zorg VOOR DE STAD, MOETEN WE ONSZELF ALTIJD AFVRAGEN IN HOEVERRE ONS VAKGEBIED KRITISCH BIJDRAAGT AAN DE ONTWIKKELING VAN DE STAD.”

 
 
Willen we op een gepaste manier ontwerpen aan Groningen, zullen we onze vakkennis en -ontwikkeling moeten toewijden aan de ontwikkelingsgang van de stad. Kunnen we weer met liefde aan de stad werken, de stad kortom weer als ons werkterrein zien, door ons werk als bescheiden bijdrage aan de stad te benaderen, kwaliteit en vakmanschap van elkaar te eisen, ook voor de uitvoering van ons werk? Niet alleen onze tekeningen of goede bedoelingen dragen immers bij aan een kritische definitie van het vak, juist in de praktijk krijgen onze plannen betekenis als onderdeel van het bouwwerk van de stad.

We moeten onszelf als ontwerpers, maar ook onze opdrachtgevers, beleidsmakers en overheden steeds verleiden om met liefde en betrokkenheid, op een verantwoorde manier en met deskundigheid aan de stad te werken. We zullen het vertrouwen in ons vak moeten aanspreken om de ontwikkelingen van morgen te verbeelden. Het stedenbouwkundig ontwerp vertegenwoordigt precies de balans tussen individuele ontwikkelingen en de collectieve ervaring die de stad als bouwwerk voortdurend teweeg brengt. Met de verbeelding van onze ontwerpen kunnen we particuliere belangen verzoenen met het publieke belang dat de stad belichaamt, vanuit de grondgedachte dat de stad per definitie een gemeenschappelijk bouwwerk is waarvan we allemaal de voordelen en kwaliteiten kunnen beleven. We zullen elkaar als vakbroeders keer op keer moeten aanmoedigen om de stad meer dan de som van onze gedeelde inspanningen te maken.
 
  

9. ONTWERPEND ONDERZOEK

“STEDENBOUW IS PER DEFINITIE ONDERZOEKEND EN OM ONS VAK GOED UIT TE OEFENEN, MOETEN WE VOORTDUREND GRONDIGE VRAGEN STELLEN.” 

 
 
We zullen ruimtelijke ontwikkelingen altijd kritisch moeten benaderen, onze vakgenoten, opdrachtgevers en politieke vertegenwoordigers altijd deelgenoot moeten maken van de zoektocht die we met het stedenbouwkundig ontwerp aangaan. Een stedenbouwkundige opgave is nooit eenduidig, heeft geen helder vertrekpunt en is nauwelijks met een plan ‘op te lossen’. Een goed stedenbouwkundig ontwerp probeert de kwaliteit van leven te verbeteren en de economische potentie te vergroten. Stedenbouw creëert de voorwaarden, waarmee een ontwikkeling meer wordt dan de optelsom van stedelijke organisatie, uitstraling en aantrekkingskracht. 

De stad is een economische en sociale constructie, die we met het stedenbouwkundig ontwerp bedienen door ruimte te ordenen. Het past ons om deze verantwoordelijke taak met bescheidenheid en onderzoekende interesse tegemoet te treden. We moeten steeds nieuwsgierig durven zijn. Het is een kritische balans tussen het uitoefen van gerichte invloed, de potentie van individuele ontwikkelingen en de mogelijkheden van de publieke ruimte.
 
  

10. INTEGRALITEIT

“HET STEDENBOUWKUNDIG ONTWERP BEDIENT DE ONTWIKKELING VAN EEN GEBIED, KIJKT OVER GRENZEN HEEN EN IS DAARMEE VAKOVERSTIJGEND.”

 
 
Op het niveau van gebiedsontwikkeling kunnen we de juiste vragen stellen en onderzoeken we de bijdrage van ons ontwerp aan de stedelijke ontwikkeling als geheel. Dit vereist een integrale blik: het is moeilijk en onnodig om onderscheid te maken tussen stedenbouw, landschap, architectuur en verkeer. Met het stedenbouwkundig ontwerp geven we immers vorm aan de openbare ruimte als geheel. 

Actuele ruimtelijke opgaven zoals herbestemming, mobiliteit, binnenstedelijk wonen en energietransitie laten zien dat stedenbouw een bij uitstek interdisciplinair vakgebied is. We zien bovendien dat steden goed functioneren als we er integraal aan werken. Het stedenbouwkundig ontwerp moet uiteenlopende programma’s huisvesten, de openbare ruimte bepaalt de continuïteit, terwijl de verhouding tussen de private en publieke ruimte het functioneren ervan beïnvloedt. Stedenbouw moet er kortom voor zorgen dat bebouwing en omgeving elkaar kunnen versterken.
 
 

11. CONTEXT

“WILLEN WE MET INTEGRAAL, ONTWERPEND ONDERZOEK OVERTUIGEND BIJDRAGEN AAN DE STAD, DAN ZULLEN WE DE CONTEXT ALTIJD TOT HET FUNDAMENT VAN ONZE ONTWERPEN MOETEN MAKEN.” 

 
 
De ruimtelijke, functionele, sociale en economische context vormen het vertrekpunt voor het werken aan de stad. In Groningen wordt er aan de karakteristiek en kenmerken van het historische stadspatroon nog altijd veel waarde toegekend. Het compacte patroon van de middeleeuwse plattegrond, de kwaliteit van de bestaande, fijnmazige structuur van de stad en de nabijheid van het centrum zijn nog altijd belangrijke kenmerken die stedelijke context bepalen. Ook de relatie van het compacte Groningen met het omringende landschap, de samenhang tussen stad, historische uitvalswegen, waterwegen en het ommeland, vormt een karakteristiek context. 

Maar in elk stadsdeel, van elke stedenbouwkundige periode, kunnen we kenmerkende kwaliteiten ontdekken, waaraan we met ons werk onherroepelijk bijdragen, nieuwe lagen zullen toevoegen. Het werken vanuit een specifieke stedelijke context wordt dus als een belangrijk stedenbouwkundig principe gezien. De kennis van de stad, de geschiedenis, de kennis van het vakgebied, het gebruik van de stad, de manier waarop de stad ‘geleefd’ wordt – al deze informatie vormt de basis voor het stedenbouwkundig ontwerp. Als stedenbouwers zullen we kennisgedreven moeten opereren, moeten we willen weten in welke context we werken en wat de geschiedenis is van die context.